Geschiedenis van DKW en Audi

De geschiedenis van DKW en die van Audi zijn niet los van elkaar te denken. Beide merken begonnen op bescheiden schaal, maar ontwikkelden zich tot bedrijven die een belangrijke rol zouden gaan spelen in de gigantische Audi-NSU-Volkswagengroep. DKW is meer dan 30 Jaar een toonaangevende naam geweest In de ontwikkeling van de kleine, efficiënte sedan en heeft baanbrekend werk verricht in de massaproductie van zowel auto’s met voorwielaandrijving als tweetaktautomobielen. Niet voor niets kreeg het merk de bijnaam ‘Das Kleine wuncer’, De Initialen staan voor ‘Deutsche Kraftfarzeug Werke’. DKW begon in de vroege jaren ’20 als motorfietsenfabriek, maar in 1928 besloot men auto’s te gaan produceren, hoewel de motorfietsenhandel bijzonder lucratief was.

De DKW werd gebouwd bij de Zchopauer Motoren Werke te Berlijn. Dit was een fabriek die voordien werd gebruikt door de Deutsche Werke AG, makers van de D-Wagen. De eigenaar van de DKW-fabriek, Jörgen Rasmussen, besloot zijn eerste wagen uit te rusten met het type tweetaktmotor waarmee hij zo succesvol geweest was bij zijn motorfietsen. De machine was een staande tweecilinder met een afmeting van de boring x slag van 68 mm x 74 mm, een cilinderinhoud had van 584 cc en een vermogen van 16,5 pk. Dat was betrekkelijk weinig, zelfs voor het jaar 1928, maar Duitsland bevond zich sinds het begin van de crisisjaren midden in een autoscooter-rage. Rasmussen bouwde een vrij chique wagen, met een koetswerk dat grotendeels van hout was gemaakt. De wagen had een versnellingsbak en zelfs een differentieel; onderdelen die door veel autoscooterproducenten overbodig werden geacht.

audi-100

Het vlaggenschip van de ‘Audi-vloot’ van 1976 was de toenmalige laatste versie van de Audi 100. Audi bood de klant hiermee een aantrekkelijke en ruime auto.
Het resultaat was, dat de kleine DKW vrij populair werd en veel exemplaren werden in de jaren ’50 nog dagelijks gebruikt.

SPORTIEVE MARKT

DKW verwaarloosde de sportieve markt niet en voor 1930 bracht het merk een leuk sportwagentje op de markt. De motor kreeg een hogere compressieverhouding (5,5:1) om het vermogen op te voeren tot 18 pk. Het kleine bootachtige koetswerk met afzonderlijke spatborden viel erg in de smaak bij jonge chauffeurs. Dankzij het lage gewicht was het voertuig in staat, 100 km/h te halen – een hele snelheid in 1930! Met dwarsveren voor en achter was het wagentje net zo goed te besturen als de meeste andere sportwagens. De tweetakt DKW-motor begon op veel mensen indruk te maken, want de met water gekoelde en met spoel poorten uitgeruste motor had een veel hoger toerenbereik dan de oudere tweetaktversies. Rasmussen durfde het aan, meer wagens te produceren. Hij vergrootte de motor van de 4/8 sedan uit 1930 tot 780 cc. In deze uitvoering leverde de motor 22 pk: vrij veel vermogen voor een kleine auto uit die periode.

In 1931 verscheen de eerste DKW met voorwielaandrijving: de F1, een technisch geavanceerd wagentje dat, in de ben jaar die volgden, tot voorbeeld genomen werd door producenten van kleine sedans. Voor de F1 was de 51a9- boringverhouding verkleind van 74 mm tot 68 mmo De motor had een inhoud van 490 cc en een vermogen van 15 pk bij 3200 t.p.m. De tweecilindermotor stond dwars in het frame. De voorwielen werden aangedreven door een versnellingsbak met drie versnellingen en een meervoudige natte plaatkoppeling. DKW is dit principe in bijna alle daaropvolgende modellen trouw gebleven en werd pas nagevolgd in de jaren ’50 toen Citroën en BMC hun wagens met dwars geplaatste motoren en voorwielaandrijving op de markt brachten.

De F1 had een ladderframe met voor een swingas en achter een starre as die op dwarse bladveren rustte. Het koetswerk was van staal, maar toch woog de F1-tweezitter nog steeds niet zwaar.

Hij was goed voor 80 km/u Een bijna identieke wagen, de F2. volgde op de F1. Het enige verschil was de motor: een 584 cc-krachtbron, die 1 B pk leverde bij 3200 t.p.m. leverde. Rasmussens vastbeslotenheid het bij kleine wagens te houden, wierp vruchten af. In de crisisjaren zag hij kans het hoofd boven water te houden en zijn bedrijf zelfs uit te breiden. In 1928 werd hij de voornaamste aandeelhouder van Audi, een bedrijf dat was opgericht door August Horch. In 1932 eigende hij zich zowel de fabriek van Horch als die van Wanderer toe. De vier bedrijven van de groep, Horch, Audi, Wanderer en DKW, kwamen onder één noemer – Auto Union – en het bedrijfsvignet liet vief onderling verbonden ringen zien. De nieuwe firma werd in grootte en prestige slechts geëvenaard door de Mercedes-Benzgroep. Rasmussen kwam met een verbijsterende selectie wagens op de markt: van zijn eigen kleine DKW’s, de middelgrote Wanderer-wagens en de grotere Audi tot de nog grofere Hareh, een 5 liter-aehtci/inder. De DKW’s en de wagens van Horeh mochten hun eigen lijn houden, maar zowel de Audi als de Wanderer werden enorm veranderd in de jaren die volgden. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werden beide merken in zeer kleine aantallen geproduceerd.

dkw-sonderklasse
Linksboven: De DKW-Sonderklasse 32PS van 1938/39 had een viercilindermotor van 1050 cc die de voorwielen aandreef.

dkw-584
Boven: De eerste DKW, een 584 cctweetaktmachine uit 1928.

ft-1931
Onder: Het mooie Ft-model uit 1931, aangedreven door een kleine tweecilindertweetaktmotor van 490 cc die kruislings op het frame gemonteerd was.

Wanderer was in 1911 met de autoproduktie begonnen en wel met een kleine tweezitter (1150 cc), in de volksmond ook wel ‘poppetje’ genoemd. Tot de overname, in 1932, werden er degelijke, maar onopvallende wagens gebouwd. De meeste Wanderer-motoren waren echter voorzien van kopkleppen, in een tijd waarin zijkleppen bijna universeel waren in de goedkopere wagens.

Leave a Comment